Is 1.461 keer bekeken

Vakgebieden

Administratie

Administratie wil in veel gevallen zeggen: kantoorwerk in de breedste
zin van het woord.
Vroeger ging het veelal om het bijhouden van financiële verantwoording door middel van boekhouding bestaande uit onder andere kasboeken, journaaloverzichten. Voorheen gebeurde dat meestal handgeschreven. In de loop van de 20e eeuw werd de typemachine steeds meer toegepast, en in de jaren negentig deed decomputer uitgebreid zijn intreden. Nu kun je vooral denken aan computer en hoofdwerk.
Tegenwoordig betekent het vaak geautomatiseerd database werk voor onder andere personeelszaken, zoals uitbetaling van salaris, registratie van vrije dagen, enzovoort. Denk ook aan logistieke zaken en uitkeringsinstanties als het UWV. In de zorgsector wordt gesproken van patiëntenadministratie of medischeadministratie.
De moeite of kosten voor ondernemers, instellingen en particulieren om overheidsregels na te leven en vergunningen aan te vragen wordt wel aangeduid alsadministratieve lasten(druk) of regeldruk. Bij bijvoorbeeld een belastingwet komt deze bovenop de last van de belasting zelf, bij een subsidie vormt deze voor de ontvanger de keerzijde. Bij introductie, wijzigen en afschaffen van regelingen is vaak het streven deze lastendruk te verminderen of niet te veel te laten stijgen, zie ook Actal. Zo is er bijvoorbeeld de Wet uniformering loonbegrip, en wordt een winstbox en loonsomheffing overwogen.
Het woord “administration” is Amerikaans Engels voor “regering” of “bestuur” en wordt in deze betekenis vrij vaak verkeerd vertaald met “administratie”. Zo wordt de regering van de Amerikaanse president Barack Obama in die taal de “Obama administration” genoemd.

Alternatieve geneeswijze

Een alternatieve geneeswijze is een behandel- of onderzoeksmethode waarvoor geen algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs van geneeskundige effectiviteit geleverd is. In Nederland was in de periode 2010-2012 de acupuncturist de meest bezochte alternatieve behandelaar

Alternatieve geneeswijzen worden meestal niet aan universiteiten of paramedische opleidingen gedoceerd, maar aan particuliere beroepsopleidingen. De Nederlandse overheid stelt eisen aan de opleidingen van alternatieve beroepsbeoefenaren, en hanteert daarbij als algemene norm dat de opleiding op HBO-bachelorniveau is. Op initiatief van de grote zorgverzekeraars toetst en accrediteert het Centrum voor Post-Initieel Onderwijs Nederland (Cpion), onderdeel van Lloyd’s Register, de kwaliteit van deze beroepsopleidingen.
Beoefenaren van alternatieve geneeswijzen met een dergelijke opleiding kunnen zich laten registreren in het Register Beoefenaren Natuurlijke Gezondheidszorg (RBNG) en bij de Stichting Registratie Beroepsbeoefenaren Aanvullende Gezondheidszorg (SRBAG). BIG- registratie is voorbehouden aan beoefenaren die een daartoe aangewezen medisch of paramedisch beroep beoefenen, zoals arts. Negentig procent van de beoefenaars die bij een beroepsvereniging voor alternatieve geneeswijzen staat ingeschreven heeft geen arts- diploma.
Een klein deel van de reguliere artsen in Nederland studeert verder in alternatieve richtingen zoals homeopathie, chiropraxie, manuele therapie, antroposofie, osteopathie of acupunctuur. In Nederland vertegenwoordigen de alternatieve artsenverenigingen ongeveer 1000 artsen (circa 1500 bij dubbeltelling). Het aantal therapeuten zonder artsenopleiding ligt hoger. Voor het maken van behandelafspraken met een patiënt, wordt van alternatieve behandelaars door de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) dezelfde zorgvuldigheid verlangd als van artsen en andere zorgverleners.

Een geluidsstudio

Een audiosignaal is een signaal dat informatie voor het hoorbare frequentiegebied bevat. Het woord audio is Latijn en betekent letterlijk ik hoor (van audire = horen). Een audiosignaal in de lucht is geluid. Om gehoord kunnen worden zal de toonhoogte moeten liggen tussen ongeveer 20 hertz en 14 tot 20 kHz, afhankelijk van de leeftijd van de luisteraar (hoe ouder hoe minder hoge tonen men hoort en hoe minder gevoelig het oor wordt voor bepaalde gebieden. Ziegehoordrempel). Naast de toonhoogte is ook de geluidssterkte van belang. De minimale sterkte van geluid dat een persoon kan horen is de gehoordrempel en de maximaal verdraagbare sterkte is de gehoor-pijngrens.
Ook geluid met hogere of lagere frequenties kan zich door de lucht verplaatsen. Geluid kan met een microfoon opgevangen worden en op deze wijze omgezet worden naar een elektrisch signaal voor opslag, verwerking of versterking.
Een audiosignaal kan dus ook een elektrisch signaal zijn, bestemd om na bewerking of transport uiteindelijk weer omgezet te worden naar een hoorbaar signaal. Bij een bandrecorder/cassetterecorder/WAV- recorder worden de signalen gemaakt door bijvoorbeeld een persoon of muziekinstrument via een microfoon omgezet in een elektrisch audiosignaal. Dit signaal wordt vervolgens versterkt, bewerkt en uiteindelijk vastgelegd in de recorder (analoog of digitaal).
Bij afspelen wordt de informatie in de recorder (analoog of digitaal) weer omgezet in een elektrisch audiosignaal, versterkt en zo nodig bewerkt en uiteindelijk weer hoorbaar gemaakt via een luidspreker of hoofdtelefoon.

Een VHS-videoband.

Bioscoopjournaal uit 1972 over audiovisuele toepassingen op de nationale onderwijstentoonstelling te Utrecht. Video (letterlijk “ik zie” (Latijn), van videre, “zien”) is een techniek om bewegende beelden als een elektronisch signaal weer te geven. Een videosignaal wordt geproduceerd door een videocamera en weergegeven door een televisietoestel. Een videosignaal kan worden uitgezonden (draadloos of via de kabel) en op een videorecorder (die
kortweg ook wel ‘video’ wordt genoemd) worden opgenomen. Moderne videostandaarden kunnen met meer informatie gecombineerd worden, bijvoorbeeld tekst voor een synchrone ondertiteling.
Film (in de strikte betekenis) is in tegenstelling tot video niet elektronisch, maar fotografisch. Film bestaat in feite uit een serie dia’s. Tegenwoordig overlapt het woord “video” de term “film”. Televisie is bij niet-live-uitzendingen door de opname, montage en weergave een toepassing van video, waarbij het videosignaal via zenders of kabel verzonden wordt.

Aannemer

Een aannemer is een onderneming die de verantwoordelijkheid op zich neemt om bouwactiviteiten te realiseren en te coördineren; de aannemer verzorgt, voor een in het contract bepaalde prijs en binnen een overeengekomen termijn, de levering van een volledig voltooid bouwwerk. De opdrachtgever of bouwheer kan op zijn beurt een architect of architectenbureau inschakelen, die het ontwerp en soms het toezicht op de bouwplaats voor zijn rekening neemt. Het ontwerp van de architect (of anderszins) resulteert vaak in een bestek en tekeningen waarin de beschrijving van het werk is opgenomen en hetgeen een onderlegger vormt voor en onderdeel is van de overeenkomst tussen opdrachtgever en aannemer. Het bestek en de tekeningen beschrijven zo nauwkeurig mogelijk wat de kwaliteits- en kwantiteitseisen zijn die de opdrachtgever aan het werk stelt.

Afbouw

De afbouw van een gebouw vindt plaats na de ruwbouwfase, met name als het gebouw wind- en waterdicht is. Tijdens de afbouwfase wordt het gebouw afgewerkt en kunnen systeemplafonds, scheidingswanden, inbouwverlichting, brandwerende bekleding, vloerbedekking, kantoorinrichting etc. worden aangebracht. Tevens kunnen stuc-, schilderwerk en dergelijke plaatsvinden, die een beschermde omgeving vragen.
De afbouwfase kan ook uitbesteed worden op basis van turnkey. De opdrachtgever stelt dan een ‘kaal’ gebouw beschikbaar. Vervolgens wordt een afbouwbedrijf gevraagd om het pand af te bouwen.

Architect

Een architect (Grieks: architektón: bouwmeester; archi: opper, tektón: hij die bouwt) is een ontwerper van gebouwen, die dit ontwerp visualiseert (op tekening zet) en de verwerkelijking van dit concept technisch en administratief begeleidt.
Een ontwerper van infrastructuur, bruggen en dergelijke wordt meestal een civiel ingenieur (NL) of Burgerlijk-bouwkundig ingenieur (Vlaanderen) genoemd. Steeds vaker ontstaan er samenwerkingsverbanden tussen bovengenoemde partijen, waardoor enigszins een grensvervaging in de ontwerpende disciplines merkbaar is. Soms komt men het synoniem bouwmeester tegen zoals de “Vlaamse Bouwmeester” die de overheid adviseert inzake bouwprojecten, de Nederlandse “Rijksbouwmeester”.
Nauw gerelateerd aan het werk van de architect is dat van de stedenbouwkundige. In Nederland en Vlaanderen genieten zij doorgaans dezelfde basisopleiding en gaat men zich in de laatste fase van de studie pas specialiseren; of men volgt een bijkomende specialisatie na de studie.

Behangen

Het aanbrengen van behang Behangen is het aanbrengen van behang op de muur. Dit wordt gedaan door rollen behangpapier ongeveer op de juiste lengte te knippen, met behangplaksel te besmeren en daarna op de muur aan te brengen. De eerste baan wordt meestal met een schietlood recht gehangen. Volgende banen kunnen ‘tegen elkaar aan gestoten’, en vervolgens aangerold met een ‘nadenrollertje’. Als ‘door de hoek’ behangen wordt, moet eerst de ene wand gladgestreken worden, en daarna pas de andere. De onder en bovenkant kan het beste met een ‘afbreekmesje’ afgesneden worden.
Beneden kan het behang ‘over de plint getrokken’ worden, waarna het ‘over de plint afgesneden’ kan worden. Het als laatste nog even ‘aankloppen’ met de borstel. Om te beginnen worden op de ‘behangtafel’ alle te plakken banen (uittellen) uitgerold, en met de juiste zijde boven gekeerd. Zo kan er aan één stuk door gewerkt worden, met het aanbrengen van het behang. Wanneer het behang een motief heeft, dient bij het op lengte knippen erop gelet te worden, dat er genoeg extra lengte wordt geknipt om het motief op de juiste plek te schuiven Vaak staat dit op de rol, zoals
meer tekens.
Om te voorkomen dat het behang op de muur vol met bellen en blazen komt te zitten, moet de behanglijm eerst goed in het behang trekken (een paar banen vooruit smeren). Dan moet het bovenaan de muur worden aangebracht, en voorzichtig naar beneden worden uitgestreken en naar
de zijkanten.

Handige hulpmiddelen bij het behangen zijn:

  • behangtafel
  • borstel om de lijm aan te brengen
  • scherpe schaar
  • behangspatel of borstel om het behang vlak op de muur te strijken
  • slagmes of mes, afbreekmesjes
  • nadenrollertje

Er is ook glasvezelbehang die meestal breder is (1 meter) dan gewoon behang (52 centimeter) en vliesbehang met de normale breedte van ca 52 cm. Bij deze behangsoorten wordt ‘de muur ingesmeerd’ met ‘speciale lijm’ en een ‘roller’ of blokkwast. Het teveel aan lijm wordt eronder vandaan/ glad gestroken met een ‘spatel’. De Glasvezels moeten worden afgewerkt met 2 lagen ‘(muur)verf’.

Dakwerker

Een dakwerker (ook wel dakdekker genoemd) is iemand die gespecialiseerd is in het plaatsen van verschillende dakconstructies. Een dakwerker zorgt voor constructies die bestendig zijn tegen regen, sneeuw,wind, hoge en lage temperaturen. Een dak wordt meestal gemaakt uit hout en bestaat uit een spant, balk en ligger. Dit wordt het skelet van een dak genoemd waar al het materiaal moet op steunen.
Nadien wordt het onderdak geplaatst waarna eventueel een dakraam en als laatst de dakpannen wordt geplaatst.

Velux

VELUX dakraam
Velux is een Deense onderneming die dakramen en aanverwante producten produceert.
Het productprogramma bestaat uit daglichtsystemen, zolderramen en dakvensters. Daarnaast levert het bedrijf raamdecoratie, zonwering, rolluiken, installatieproducten, elektrische bedieningssystemen en zonnepanelen voor op het dak.
Het bedrijf heeft fabrieken in 10 landen en is in 40 landen actief. Begin 2008 werken er ongeveer 9.500 mensen, waarvan 3000 in Denemarken. Het bedrijf is onderdeel vanVKR Holding, dat verbonden is met de familie van de oprichter (VKR zijn de initialen van de oprichter). VKR Holding is een vennootschap die geheel eigendom is van stichtingen en familie. Het merendeel van de aandeelhouders zijn stichtingen zonder winstoogmerk.
De naam “Velux” is samengesteld uit Ve (ventilatie) en het Latijnse woord lux (licht).

Elektricien

Een elektricien is een monteur van elektrische installaties. De uitoefening van dit beroep bestaat uit het aanleggen en onderhouden van de infrastructuur die nodig is voor de elektriciteitsvoorziening.

Loodgieter

Een loodgieter is een vakman die zich richt op aanleg en onderhoud van sanitair, verwarmingsinstallaties, waterleidingen en/of riolering. Het woord loodgieter is ontleend aan het gieten van stroken lood en loden pijpen. Deze stroken werden gebruikt om buizen waterdicht te
maken.
Kort na de Tweede Wereldoorlog vestigden zich veel nieuwe loodgieters in Nederland om aan de wederopbouw te helpen. Om zich als zelfstandig loodgietersbedrijf te vestigen moest men aan drie voorwaarden voldoen. Men diende in het bezit te zijn van het middenstandsdiploma, een vakdiploma en enige kredietwaardigheid. Het vakdiploma, het GAWALO-diploma (erkend GAsfitter, WAterfitter en LOodgieter) kon men met een avondopleiding in ongeveer 4 of 5 jaar behalen. Het middenstandsdiploma was eveneens, op bijvoorbeeld een Handelsavondschool, met het volgen van avondlessen in 2 jaar te halen.
Het werkgebied van een loodgieter is in de 20e eeuw een stuk ruimer geworden. Zo kan een loodgieter zich bezighouden met de aanleg en het onderhoud van sanitair,verwarmingsinstallaties, waterleidingen en/of riolering. Ook moet een loodgieter steeds meer van computers afweten, aangezien cv-ketels, een belangrijk werkterrein van de loodgieter, steeds meer gebruikmaken van deze moderne technologie.
Er is ook een vakvereniging voor loodgieters, UNETO-VNI. Hier kunnen bedrijven lid van worden wanneer zij bepaalde diploma’s in huis hebben (ten minste een van de personeelsleden) en aan allerlei eisen voldoen.

Metselaar

Een metselaar is een vak- of ambachtsman die bakstenen of blokken natuursteen vermetselt.
Een metselaar beschikt over divers gereedschap: Een metseltroffel, om de specie op de reeds gemetselde laag aan te brengen en te spreiden tijdens het metselen. Troffels zijn er in diverse soorten en zowel voor links-als rechtshandigen.
Een voegspijker, waarmee de voegspecie tussen de voegen wordt gebracht om het geheel af te werken. Voegspijkers kunnen we verdelen in lintvoegspijker, voor de horizontale voegen en de stootvoegspijker voor de korte stukjes, de stootvoegen, ertussen.
Een kaphamer, een hamer die aan de ene kant voorzien is van een vierkant vlak en aan de andere kant van een gebogen gedeelte, dat enigszins op een beitel lijkt. Met deze hamer kan hij stukken van de steen afslaan of anderszins bewerken. Ook kan hij met de vlakke kant
op de sabel of de voegbeitel slaan.
Een sabel, een stalen strip, die zo gevormd en geslepen is, dat de metselaar heel precies stenen kan behakken en bewerken.
Een voegbeitel, ook wel klezoorbeitel genoemd. Deze lijkt op een koudbeitel, maar heeft een breed blad. De breedte hiervan kan variëren van 5 cm tot 10 cm. De snede is van beide zijden scherp geslepen. Hiermee kunnen stenen op maat gehakt worden, maar hij wordt ook gebruikt om voegen uit te hakken.
Een dagge, een voegijzer om specie in het midden van een voeg van een streep te voorzien. Hierdoor lijkt een voeg smaller. Overig gereedschap dat een metselaar nodig heeft zijn een metseldraad, waterpas, duimstok, timmermanspotlood, schietlood, klauwhamer. Ook een bats, stoffer ennijptang kunnen goed van pas komen.

Stukadoor

Een stukadoor, stuc-, plak- of pleisterwerker is een vakman die een afwerklaag van stucwerk aanbrengt op muren en plafonds in het interieur van een gebouw. Dit kan dienen als bescherming of alleen ter verfraaiing. De afwerklaag kan bestaan uit pleister of specie van uiteenlopende samenstelling. In vroeger eeuwen, met name in de 18e eeuw, leverden gespecialiseerde stukadoors, sierstucwerkers, een belangrijke bijdrage aan de barokke decoratie van kerken, paleizen, woonhuizen en openbare gebouwen.

Tegelzetter

Betegeling met grote vloertegels.
Een tegelzetter is een vakman die wandtegels zet en vloertegels legt. Dit kan worden gedaan door tegels in de mortel te drukken of te lijmen met speciale tegellijm. Het beroep tegelzetter is nauw verwant aan het vak van de metselaar en daar in feite ook uit voortgekomen.

Timmerman

Een timmerman is een vakman die aan houtbewerking doet.
In de bouw verricht hij nieuwbouw en/of onderhoud aan houten vloeren, wanden, dakconstructies, kozijnen, deuren en ramen. In de meubelmakerij noemt men hem schrijnwerker en maakt hij maatkasten en keukens. In informele Belgisch-Nederlandse omgangstaal wordt schrijnwerker dikwijls als synoniem van timmerman gebruikt. In de tijd dat handelsschepen (voornamelijk zeilschepen) en andere grote boten van hout werden gemaakt bouwde de scheepstimmerman voornamelijk de schepen en tijdens de reis van het schip herstelde hij de opgelopen schade. Een zijtak zijn de mastenmakers. Heden ten dage zijn het de vaklieden, die aan boord van schepen – waar gewoonlijk niets recht is en nauwelijks seriewerk voorkomt – hun vak uitoefenen. Zij houden het ambacht in ere. De Nederlandse jachtbouw is mede wereldberoemd door de kwaliteit van de Nederlandse scheepstimmerlieden.

Conflictbemiddeling

Conflictbemiddeling of mediation is een interventie van een bemiddelaar om twee of meer personen, partijen of groepen die een geschil hebben met elkaar in gesprek te brengen teneinde onderling tot een oplossing te komen. Bemiddeling is vooral nuttig als de communicatie verstoord is, als rechtstreekse onderhandeling tussen de partijen belemmerd wordt door een wederzijds gebrek aan vertrouwen, of als er sprake is van een escalatie. Bemiddeling kan zelfs werken als een van beide partijen zo kwaad of beledigd is, dat hij weigert nog langer met de andere partij te praten.
Bemiddeling het gezamenlijk door partijen zelf oplossen van een geschil is met behulp van een onafhankelijke derde, de bemiddelaar. Het doel van conflictbemiddeling is niet een oplossing waar alle partijen 100% enthousiast over zijn (zou wel mooi zijn, maar gebeurt zelden); het doel is slechts een oplossing tot stand te laten komen waarin beide partijen zich kunnen vinden en die in hun belangen op aanvaardbare wijze tegemoet komt. De mediator laat partijen aldus de gang maken van standpunten naar belangen en ondersteunt hen in de verbetering van hun communicatie.
Van belang is dat in het Nederlands taalgebied onderscheid wordt gemaakt tussen het werk van de bemiddelaar en dat van de mediator: de mediator blijft bewust inhoudelijk op afstand (“lijdelijk”) en laat daarmee de conflictpartijen hun geschil zèlf oplossen. Terwijl de bemiddelaar actief en op inhoudsniveau bij de partijen onderzoekt waar de belangen liggen, waar ze botsen en waar de pijn zit, om vervolgens zelf met een inhoudelijk oplossingsvoorstel te komen waartegen partijen ja of nee kunnen zeggen. In vakjargon: de mediator heeft slechts de procesregie in handen, de bemiddelaar heeft ook een groot deel van inhoudelijke regie in handen. Van deze laatste werkwijze is een goed voorbeeld de bemiddeling van Max Rood tijdens de taxioorlog in Amsterdam (2000).
Kwaliteitsbewaking
Mediators die voldoen aan strenge kwaliteitsvereisten kunnen worden opgenomen in het register van de Stichting Nederlands Mediation
Instituut (NMI) Verschillende stijlen van mediation.
Met de sterke toename van het gebruik van mediation en van het aantal mediators heeft zich ook een verscheidenheid in mediation stijlen ontwikkeld, waarin grofweg een driedeling te herkennen valt: evaluerende mediation: de mediator houdt zich actief met de inhoud van het geschil bezig en evalueert ook de gevonden uitkomsten. Deze mediator neemt regie op inhoud en proces. Vergelijkbaar met de eerder genoemde bemiddelaar.
faciliterende mediation: de mediator houdt afstand van de inhoud en stuurt wel nadrukkelijk in het proces. Deze mediator neemt geen inhoudelijke regie en wel procesregie. Door die sturing heeft de mediator wel een zekere invloed op de uitkomst van de mediation. transformatieve mediation : de mediator neemt geen inhoudelijke regie en geen procesregie. Het conflict wordt benaderd als een ‘crisis in de communicatie’. Doel van deze mediation is een negatieve en destructieve interactie te transformeren tot een positieven en opbouwende interactie. Vanuit deze getransformeerde interactie komt
een uitkomst die volledig door betrokkenen zelf wordt gedragen.

Coaching

Coaching is de vorm van begeleiding die erop gericht is mensen in positieve zin te veranderen, uitgaande van gezonde mensen en een geloof in de veranderingsmogelijkheden die liggen besloten in de blijvende wisselwerking tussen inzicht en gedrag.[1] Genezing is nadrukkelijk niet het doel en ziekte niet het uitgangspunt. Coaching is geworteld in de positieve psychologie en moet niet verward worden met counseling of therapie, begeleidingsvormen die erop gericht zijn mentale blokkades of psychische stagnatie te verhelpen. Mentoraat en training zijn verwante begrippen, maar geen synoniemen.

Adviesbureau

Een adviesbureau of consultancybureau is een bedrijf waar adviseurs in dienst zijn. Deze adviseurs worden ingehuurd door andere partijen
om daar adviezen te geven. Dit kan zijn op technisch, organisatorisch, juridisch of financieel gebied.
Het verschil tussen een adviesbureau en een interim management of detacheringsbureau is dat adviseurs of consultants werken op project basis en een vooraf afgesproken concreet resultaat of oplossing opleveren. Interim management bureaus leveren tijdelijk personeel voor een veelal vooraf overeengekomen inspanning en periode. Veelal hebben deze interim managers ook een bepaalde (tijdelijke) lijnverantwoordelijkheid. Detacheringsbureau leveren (slimme) handjes die zich, onder leiding van de (gedelegeerde) opdrachtgever inspannen en werkzaamheden uitvoeren.

Bemiddelaar / mediator

Een bemiddelaar is iemand die probeert tussen verschillende personen of groepen te bemiddelen om ze tot elkaar te brengen. De benaming bemiddelaar wordt ook wel gebruikt voor iemand die aanbieders en vragers van bepaalde producten of diensten bij elkaar brengt – zie
makelaar. Bemiddelaars kunnen optreden in zeer uiteenlopende geschillen, bijvoorbeeld:
– gewapende conflicten en oorlogen
– andere geschillen tussen staten, bijvoorbeeld een handelsconflict
– gijzelingsacties
– conflicten tussen werkgevers en vakbonden
– andere zakelijke geschillen
– conflicten tussen vrienden, collega’s of kennissen
Kenmerken
De kenmerken van een goede bemiddelaar zijn: neutraliteit, eerlijkheid, inzicht en gezag. Een bemiddelaar moet een neutrale positie hebben in het conflict. Bovendien moeten alle partijen daar ook van overtuigd zijn. De partijen moeten erop kunnen vertrouwen dat de bemiddelaar niet de ene of de andere partij voortrekt.
Ook moeten de partijen erop kunnen vertrouwen dat de bemiddelaar eerlijk is en zich aan al zijn toezeggingen houdt, bijvoorbeeld ten
aanzien van geheimhouding. Een bemiddelaar moet goed kunnen communiceren en inzicht hebben in menselijke motieven en emoties en in de cultuur van de betrokken partijen. Verder moet de bemiddelaar onder spanning rustig kunnen blijven.
Het is een groot voordeel als een bemiddelaar een groot moreel gezag heeft. Dat kan hij of zij misschien gebruiken om de partijen te overreden zich neer te leggen bij een compromisvoorstel. Daarom worden geestelijk leiders soms gevraagd om te bemiddelen.

Informatietechnologie

Informatietechnologie (IT), in Nederland en in België vaak informatie- en communicatietechnologie (ICT), is een vakgebied dat zich bezighoudt met informatiesystemen, telecommunicatie en computers. Hieronder valt het ontwikkelen en beheren van systemen, netwerken, databases en websites. Ook het onderhouden van computers en programmatuur en het schrijven van administratieve software valt hieronder. Vaak gebeurt dit in een bedrijfskundige context.

Software

Software of programmatuur is een gangbaar woord voor computerprogramma’s. Naast toepassingen voor de mainframes, pc’s en spelcomputers, bevatten ook apparaten als televisies, telefoons, telefooncentrales, auto’s, machines sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw steeds vaker software.
Software kan worden ingedeeld naar toepassingsgebied of gebruikersgroep. Het begrip “software” komt uit het Engels, en is de tegenhanger van hardware (apparatuur), waarmee alle “tastbare” apparatuur wordt bedoeld. Het onderscheid tussen hardware en software bestond al voordat de computer bestond, al worden de termen in die zin niet vaak gebruikt.
Een radiotoestel is hardware, het radioprogramma is software. Een grammofoon is hardware, de plaat is software. Dit illustreert dat de hardware onbruikbaar is zonder software.